
Hij nam het glas en hield het even omhoog. Een wijl staarde hij ernaar, geboeid de kleur inspecterend en uitdrukkelijk naar vlekken speurend. Daarna hield hij het glas lichtjes schuin, bracht het vervolgens naar zijn neus en snoof, lang en diep en opzichtig. Even werd de wijn gewalst. Daarop volgde weer een geurtest. Toen proefde hij. Dat ging met een licht slurpend geluid gepaard. Hij liet de wijn heen en weer gaan in zijn mond en slikte hem tenslotte traag door. Het obligate aftasten van het gehemelte met de tong was de laatste stap.
Aan de tafel keken tien mensen naar hem. Niemand zei iets noch verzuchtte. De fascinatie hiervan ontging me.
“Nee.”
Hij keek even naar de kelner en schoof toen ostentatief het glas met een wijnbodempje erin voor zich uit.
De kelner was ontdaan. Alleen ik zag het, omdat de man vlak naast me stond. Zijn mond vertrok lichtjes en zijn ogen gingen iets wijder openstaan. ’s Mans etiquette was verder voorbeeldig. Hij zweeg en wachtte af, schijnbaar onaangedaan.
“Wat nou, nee?” Ik keek naar Johan.
“Deze wijn is ondermaats,” verdedigde Johan zich.
“O, echt?” Ik griste het glas, kapte de inhoud in mijn mond en slikte die uitdrukkelijk hoorbaar door.
“Niks mis mee,” richtte ik me tot de ober. “Fijn wijntje, zelfs. Dit heerschap hier…” Ik wees naar Johan. “…heeft ongetwijfeld een verkoudheid. Krijg je een bijzonder slechte smaak van.”
De ober knikte beleefd. “Mag ik bedienen, meneer?”
“N…”
“Jazeker,” was ik Johan voor. Ik wierp hem mijn giftigste blik toe.
De kelner bediende eenieder en wandelde vervolgens keukenwaarts.
“Hier sè, meneer kent iets van wijn.” Johan draaide zijn stoel in mijn richting en kruiste zijn armen.
“Johan…” begon zijn vrouw.
“Zwijg, Evelien. Dit is tussen Menck en mij.”
“De sfeer hoort hier anders wel feestelijk te zijn,” verdedigde zijn vrouw zich.
“Dat zou ze zeker geweest zijn met een kwaliteitswijn, maar niet met deze… deze boecht.” Hij spuwde het laatste woord uit als was het een halfvergane slak die ineens op zijn tong lag.
“Ben jij van nature zo’n omhooggevallen pik of heb je daarvoor gestudeerd?” Ik keek Johan recht in de ogen, nam mijn glas en nipte traag van de wijn. Die was dus echt niet slecht, zoveel was zeker.
“Toevallig, meneer Menck, heel toevallig ben ik al menig jaartje met wijn bezig. Dat zou jij moeten weten sinds ik je laatst meetroonde naar mijn kelder.”
“Je bedoelt die nis met die bestofte flessen waar geen mens mag aankomen? Leuk proeven, zo.”
“De helft van je wijn is zuur, Johan,” viel Evelien in. “Dat weet je best. Het is jou enkel om het etiket te doen.”
“Ja, Evelien, steek nog maar es een dolk in mijn rug. Daar ben je de laatste tijd goed in.” Zijn ogen spuwden vuur in haar richting.
“Insinueer je iets, misschien?” Ze schoof haar stoel een eindje van tafel. De rest van de gasten volgde de discussie met stijgend ongeloof. Niemand waagde het om iets te zeggen.
“Je weet best wat ik bedoel, mademoiselle. Of om het anders te zeggen: het spul dat jij regelmatig achter mijn rug om proeft, is absoluut géén wijn. Daar ben ik zeker van.”
Eveliens gezicht nam de kleur van haar glasinhoud aan.
“W… Wàt?”
“Komaan, vrouwmens, dacht je nu echt dat ik het niet wist van Pierre en jij? En nee, je hoeft niet zo verontwaardigd te kijken. Iedereen aan deze tafel mag het horen.” Hij vormde een wijde cirkel in de lucht met zijn arm.
“Ga je nou heel dit etentje verkloten, Johan? We hoeven echt geen kennismaking met jullie vuile was,” mengde Yvonne, zijn zus, zich ineens in de woordenwisseling. “Als je ’t toch al zo lang wist van Pierre, waarom begin je er dan hier voor het eerst over? Vind je dat stoer of zo?”
“Yvonne, jij moet…”
“Zwijg! Ik ben nog niet klaar. Waarom denk je dat Evelien naar Pierre gaat? Of Pierre naar haar, dat doet er niet toe. Waaróm?”
Johan zweeg, geheel overdonderd door Yvonne’s woordenstroom. Het mens zei anders haast nooit iets.
“Omdat jij haar verdomme niet goed genoeg meer vindt. Je behandelt haar net als dit wijntje, Johan: als een stuk afgedankte vuillis. Er is totaal niks mis mee, maar meneer streeft altijd maar naar meer en beter. ’t Is nooit goed genoeg voor jou, Johan. Erger: het zal nooit meer goed genoeg zijn voor jou. Zo iemand noemen wij een bespottelijke en over het paard getilde lul, broer.”
Ze nam een slok na haar vurig betoog. Ik had zin om te applaudisseren.
Johan keek naar zijn vrouw en vervolgens naar Yvonne. Hij stond op, nam zijn gsm van de tafel en wandelde, zonder nog een woord te zeggen, het restaurant uit.
Het huilen stond Evelien nader dan het lachen. Ze boog het hoofd.
Yvonne stond op, stapte op haar toe en sloeg een arm om haar schouder.
“Iedereen hier weet het al lang van jou en Pierre.”
Evelien keek naar Yvonne.
“Echt?”
“Maar ja, kind. Bovendien staat eenieder als één man achter je. Johan is een klier. ’t Is mijn broer en ik kan het verdomme weten.” Ze glimlachte.
Ik nam mijn glas en hield het omhoog.
“Met deze uitermate fijne wijn wil ik graag een toost uitbrengen. Op Evelien en Pierre.”
“Op Evelien en Pierre!” klonk het in koor. De glazen werden geheven. Evelien wiste een traan weg, nam toen haar glas en hield het ook omhoog. Er speelde een glimlach om haar lippen.